In de eerste decennia van de twintigste eeuw verschilde de viering van Sinterklaas sterk per regio en sociale klasse. Pakjesavond was vooral een stedelijk en burgerlijk gebruik en kwam op het platteland nauwelijks voor. In dorpen zette men meestal alleen een schoen of klomp klaar voor het paard van Sinterklaas; het echte pakjesfeest en de komst van Sinterklaas zelf waren vooral voorbehouden aan de burgerij. Scholen speelden een belangrijke rol bij de verspreiding van het nieuwe Sinterklaasfeest. Ze gebruikten Sinterklaas als opvoedkundig middel en ontleenden er prestige aan. Tegelijkertijd bood deze nieuwe, beschaafde vorm van vieren een alternatief voor oudere plattelandsgebruiken zoals Klaasjagen, Zwarte Klazen en Sunterklaoslopen. Deze ‘wilde’ vormen bestonden uit luidruchtige, verklede jongelui met zwartgemaakte gezichten, kettingen en maskers, die langs de huizen trokken. Ze joegen kinderen angst aan, strooiden pepernoten en vroegen om geld of snoep. Rond de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw groeide het verzet tegen dit gedrag, dat steeds meer werd gezien als onbeschaafd en als een vorm van bedelarij. Als reactie hierop werd de ‘beschaafde’ Sinterklaas gepromoot. Dit proces van verburgerlijking leidde uiteindelijk tot de uniformering van het Sinterklaasfeest in Nederland. ‘Zul oes Sunterklaos wel komme?’ deze tekst beschrijft de Drentse Sinterklaastradities door de eeuwen heen. Verschillende schrijvers, soms in het Drents, laten zien dat het feest steeds verandert. Zoals Henk Nijkeuter en Abel Darwinkel benadrukken: Sinterklaas is een levende cultuurtraditie die niet vast te leggen is en zich voortdurend blijft ontwikkelen.


